CHECKLIST WIELUITLIJNING.

1. VOERTUIGVOORBEREIDING EN -INSPECTIE.

  • Controleer en corrigeer bandenspanning volgens fabrieksvoorschrift.
  • Verwijder overtollige lading en zorg voor neutrale beladingstoestand.
  • Voer visuele controle uit op banden, velgen en wielophanging.
  • Reinig velgranden voor correcte plaatsing van meetapparatuur.

2. CONTROLE OPHANGING EN STUURINRICHTING.

  • Inspecteer op speling of slijtage aan fuseekogels, draagarmen, rubbers, stuurkogels en lagers.
  • Controleer de rijhoogte; doorgezakte veren beïnvloeden de meting.
  • Herstel defecten vóór aanvang van de uitlijning.

3. PLAATSING OP DE UITLIJNBRUG.

  • Positioneer het voertuig recht en gecentreerd op de brug.
  • Ontgrendel het stuur; plaats voorwielen op draaiplaten, achterwielen op glijplaten.
  • Beweeg de auto licht op de vering om de ophanging te stabiliseren.

4. UITLIJNAPPARATUUR INSTELLEN.

  • Start het 3D- of CCD-systeem en selecteer juiste voertuigdata.
  • Controleer fabriekspecificaties voor wielstanden.
  • Kalibreer het systeem en zorg dat sensoren of camera’s correct zijn gepositioneerd.

5. MEETKOPPEN MONTEREN & VELGCOMPENSATIE.

  • Bevestig de meetkoppen of reflectors op de velgen met zorg.
  • Voer velgslag-compensatie uit om velgafwijkingen te neutraliseren.
  • Zorg voor vrij zicht van sensoren of reflectors naar de camera’s.

6. UITLIJNMETING UITVOEREN.

  • Voer de meetcyclus uit volgens instructies van het systeem.
  • Meet camber, caster en sporing voor elk wiel.
  • Analyseer het meetrapport; bepaal welke hoeken moeten worden afgesteld.

7. ACHTERWIELEN AFSTELLEN (INDIEN INSTELBAAR).

  • Begin met afstelling van camber, daarna toe/sporing.
  • Gebruik excenterbouten, verstelarmen of stelschroeven.
  • Corrigeer de thrust angle tot nagenoeg 0°.
  • Hercontroleer meetwaarden na elke aanpassing.

8. VOORWIELEN AFSTELLEN.

  • Stel eerst caster bij (indien instelbaar), daarna camber en ten slotte sporing.
  • Werk symmetrisch en behoud het stuurwiel in de rechtuitstand (gebruik stuurklem).
  • Verstel beide spoorstangen evenredig om centrisch stuur te behouden.
  • Controleer telkens tussenstappen op het meetscherm.

9. VASTZETTEN EN VERGRENDELEN.

  • Draai alle bouten, moeren en contramoeren aan met het juiste aanhaalmoment.
  • Gebruik een momentsleutel; vermijd luchtsleutels voor fijnaandrijving.
  • Vervang verroeste of beschadigde stelbouten indien nodig.

10. EINDMETING EN RAPPORTAGE.

  • Voer een controlemeting uit om de definitieve waarden te bevestigen.
  • Genereer een voor- en na-rapport via de uitlijnsoftware.
  • Documenteer het rapport voor klanten en intern gebruik.

11. PROEFRIT EN AFRONDING.

  • Maak een proefrit op vlak wegdek; controleer stuurstand, rechtuitrijden en stuurterugloop.
  • Corrigeer indien nodig met een fine-tuning.
  • Controleer of ADAS-systemen herkalibratie vereisen na uitlijning (camera’s, radars).
  • Rond af met klantinformatie en professioneel advies.

Verwante tips

Waarom wieluitlijning essentieel is.

Elke ingreep aan de ophanging of stuurdelen beïnvloedt direct de wielstanden. De kleinste afwijking in camber, caster of sporing heeft gevolgen voor bandenslijtage, veranderd rijgedrag en voertuigstabiliteit.

Lees meer
Parameters wielgeometrie.

Professionele wieluitlijning vraagt meer dan alleen moderne apparatuur. Het vereist inzicht in voertuigtechniek, interpretatie van data én kennis van constructeurs.

Lees meer
Hoe veerpootlagers vervangen?

Vervang veerpootlagers in enkele stappen.

Lees meer